| Henry is lange tijd de enige neger in de Amsterdamse volksbuurt. Schijnbaar moeiteloos heeft hij de witheid van zijn omgeving overgenomen. De vrouwen op zijn werk dragen hem op handen, hij is hun Moriaantje met de helderwitte glimlach. Maar zijn kinderen, met kroeshaar en lichtbruine huid, zien een andere man iemand die zich urenlang terugtrekt, met koptelefoon en elpee van Miles Davis op schoot, takjes verkruimelend op de hoes. Zonder de roes van marihuana is hun vader ongedurig, valt hij uit tegen hun moeder. |